In de 19e eeuw trad in West-Limburg een nieuwe sociale groep van superrijken op het voorplan. Met kapitaal verkregen uit het verhandelen van (tijdens de Franse revolutie) geconfisqueerd vastgoed en door investeringen in de nieuwe industrie in Wallonie, zouden zij veel grotere domeinen verwerven dan de rijken uit eerdere generaties. Hun status werd vormgegeven door in kastelen en landhuizen te verblijven, waarrond parken werden aangelegd van afmetingen die voorheen ondenkbaar waren. Gezien landbouw omzeggens de enige economische activiteit van betekenis was in West-Limburg en de nieuwe rijken de meeste grond bezaten, waren veel inwoners voor hun inkomen van hen afhankelijk. Door het cijnskiesrecht kreeg dezelfde groep het ook in de gemeentebesturen en in de provincieraad voor het zeggen. De meest vermogende families zagen hun zonen in de Kamer en de Senaat verkozen worden; zij combineerden economische en politieke macht. Zij bepaalden waar er steenwegen aangelegd werden, waar de spoorwegstations kwamen, wie er gemeentesecretaris, onderwijzer of veldwachter werd.
Aan de hand van een aantal voorbeelden worden in dit boek maatschappelijke en economische evoluties belicht die het leven in de 19e eeuw bepaald hebben en waarvan de sporen in het West-Limburgse landschap nog onuitwisbaar zijn.